TUINJOURNAAL:

HISTORISCH PLANTGOED

'Tritomanthe uvaria' (= Kniphofia uvaria), ‘Flora’, H.Witte, Groningen 1868

 

 

In Tuinjournaal, het tijdschrift van de Nederlandse Tuinenstichting, verscheen ‘Historisch Plantgoed’, een serie van 17 artikelen over historisch plantensortiment

 

 'De planten van Springer', III, 1995, 46-47

 

 'De planten van Springer (II)', IV, 1995, 54-55

 

 'Heesters bij Springer', II, 1996, 64-65

 

 'Het rijke sortiment rotsplanten van de jaren '20', III, 1996, 56-57

 

Een van de meest in het oog lopende zaken bij de bestudering van het verkrijgbare rotsplantensortiment genoemd in John Bergmans’ 'Vaste planten en Rotsheesters' - ook op dit gebied het toonaangevende werk - is de uitgebreidheid ervan. Niet voor niets grijpen hedendaagse kwekers nog vaak naar boeken uit die periode voor informatie over onbekende of vergeten soorten die ze tegenkomen. Door de hernieuwde interesse voor rotsplanten zijn het belangrijke bronnen, zowel voor verificatie van botanische aspecten als voor teeltgegevens. Wel doet het tegenwoordig merkwaardig aan, dat in Bergmans’ boek vaste planten en heesters door elkaar worden opgesomd. Het geeft aan, hoezeer in zijn opvatting de rotstuin een integraal onderdeel van de tuin was, een gedachte die nu weinig aanhangers meer heeft.

 

Als voorbeeld van Bergmans beschrijvingen een deel uit het inleidend stukje over Daphne: “Zij vragen een plaatsje, waar zij niet van de felle middagzon te lijden hebben, althans, en dit is van groot belang voor het welslagen harer cultuur, de wortels moeten koel blijven. Op een rotspartij is dit gemakkelijk te bereiken door rondom de planten stukjes steen of grint aan te brengen. Ze groeien 't best in een vochthoudend grondmengsel, bijv. verteerden boschgrond met wat puin, of in turfmolm vermengd met goeden tuingrond, een weinig zand en puin.”  Bergmans beschrijft vervolgens een negental soorten, waaronder één Aziatische, D. odora uit Japan,  en drie cultivars van D. cneorum.

 

Een gewild geslacht was ook toen al Campanula, waarvan naast voor de border geschikte soorten 26 rotsplanten worden gegeven. Van C. cochlearifolia noemt hij zeven cultivars.

Aan het geslacht Primula, dat vooral in Engeland is grootgemaakt door vooraanstaande kwekers die hun eigen verzamelexpedities uitrustten, worden 23 bladzijden gewijd. Het aandeel van Aziatische soorten daarin is opvallend groot. Een traditioneel even belangrijk rotsplantengeslacht, de Saxifraga's, brengt het tot 24 pagina's, met 156 soorten en cultivars. Ter vergelijking: Herman Beusenkom (voorheen van de Bloemenhoek in De Bilt), een van de grote collectioneurs op rotsplantengebied, kwam in een recente catalogus tot een aantal van 145.

 

Van een tegenwoordig weinig gezien geslacht als Phyteuma noemt Bergmans acht rotsplanten, naast de drie hogere voor algemeen tuingebruik. De kleinere soorten Iberis staan wel weer in de belangstelling. Behalve acht I.sempervirens soorten - de gewone scheefbloem uit de tuin - worden zes lager blijvende genoemd.

Zelfs van een nu vrijwel genegeerd geslacht, Herniaria (breukkruid), vermeldt Bergmans vier soorten, met de aantekening: “Aardige, groenblijvende, zodenvormende plantjes (...), uitstekend geschikt om ongunstige plekjes in een rotstuin te laten begroeien. De bloempjes hebben slechts zeer weinig te beteekenen. Zij groeien zeer gemakkelijk in niet te vochtigen, schralen grond, op een betrekkelijk zonnig plekje.”

 

En ook bij Bergmans ontbreekt het beschermende glasplaatje niet. Maar het gaat dan ook wel over het kweken van het plantje dat voor veel rotstuiniers een soort meesterproef betekent, bezongen door Reginald Farrer zelf: Eritrichium nanum (Himmelsherold en King of the Alps genoemd). Bergmans beschrijft daarom in alle bescheidenheid een behandeling “die de meeste kans van slagen” biedt. Ook toen al wist men, dat sommige vormen van succes niet voor iedereen bestemd zijn.

 

 

 'Taxus, de onbuigzame', IV, 1996, 56-57

 

 'Klimplantensortiment rond 1900', II, 1997, 56-57

 

 'Lage heesterborders rond 1920', III, 1997, 56-57

 

 'De nutstuin rond 1900', IV, 1997, 56-57

 

 'Canna's en Collerettes', II, 1998, 56-57

 

Paeonia tenuifolia, enkel en dubbelbloemig.  ‘Flora’, H.Witte, Groningen 1868

 

 'Pioenen en papavers', III, 1998, 56-57

Plantbeschrijvingen in een catalogus kennen vele conventies. De eenvoudiger families komen er vaak wat bekaaid af, terwijl de als edel beschouwde, lang levende soorten met veel omhaal van woorden beschreven worden. Dat is te begrijpen als je kijkt naar de prijs die ze moeten opbrengen. De pioen is typisch zo'n plant die tot de laatste categorie behoort. “...de Pioenen [bekleden] eene voorname plaats, en men kan gerust zeggen dat er genoegzaam geen tuin is, van het kleine stukje grond op het boerenerf aan Flora ten offer gebragt, tot het uitgestrekte park aan het vorstelijk lustslot behoorende, waar er niet een of meer aangetroffen worden.”

Zo staat Paeonia beschreven in de Flora (1868) van H. Witte, hortulanus aan 's Rijks Akademietuin te Leiden. Over het destijds gangbare sortiment schrijft hij: “Ofschoon de enkeldbloemige als de typische vormen moeten beschouwd worden, treft men deze toch over 't algemeen het minst aan, gelijk ze dan ook op verre na niet zóó hoog in de schatting der liefhebbers aangeschreven staan als de dubbelde.”

 

De meest gekweekte soort is P. albiflora (= lactiflora) en de hybriden ervan: “Geene andere soort toch gaf aanleiding tot het ontstaan van zooveel verschillende vormen [...] Men wil zelfs dat dit getal omstreeks twee honderd bedragen zou; gewis komt bij de onderscheiding daarvan echter een weinigje toegevendheid te pas.” H. Witte behoorde waarschijnlijk niet tot de 'splitters', de botanici die het liefst zoveel mogelijk soorten onderscheiden. Verder noemt hij P. tenuifolia en de cultivar 'Plena'; P. officinalis met variëteiten en hybriden; P. paradoxa met variëteiten en hybriden; P. humilis; P. corallina en P. Witmanniana (=wittmanniana): “..hiervan [zijn], zooverre mij bekend is, nog geen hybriden gewonnen.”

 

Bijna 70 jaar later is de pioen nog even gewild. In de catalogus van vasteplanten kwekerij Gebr. Verboom (Boskoop, 1935-1936) is Paeonia de enige familie waarbij de winner en het jaar van winning vernoemd worden. Dit is ook nu nog wel gebruikelijk, zie bijvoorbeeld de catalogus van Peter Nijssen. Verder worden deze gegevens alleen vermeld bij rozen!

Verboom noemt 174 soorten. De duurste zijn 'President Wilson', een lactiflora-hybride, die f 20 per 10 kostte en 'Tamatbako' (='Tamate-Boku'?) een enkelbloemige soort, f 25 per 10. In 1998 vermeldt de catalogus van Dick Degenhardt, die de kwekerij van Kees Verboom in 1975 overnam, 179 soorten. Daaronder zijn 70 soorten uit 1935. De duurste zijn nu 'Coral Supreme' en 'Coral Sunset'.

 

Hoe anders is dat niet bij Papaver orientale. Bij Witte wordt de familie niet genoemd. Gebr. Verboom voert 28 soorten. Daarvan komen er 21 niet meer voor in de catalogus uit '98 van Degenhardt, die 31 Papaver orientale cultivars telt. Ongetwijfeld zou men ook destijds zeer enthousiast zijn geweest over de vrij recente cultivar 'Flamingo', die wit is met een vrolijke knaloranje tot oranjeroze rand.

 

 'Het Boskoops sortiment', IV, 1998, 56-57

 

Allium obliquum. ‘Curtis’s Botanical Magazine’, Londen 1811

 

 'Uien groot en klein', II, 1999, 44-45

 

Allium, een bollengeslacht dat sinds de 19de eeuw in tuinen is toegepast, heeft een interessante ontwikkeling doorgemaakt. Al ruim voor 1800 werden tientallen exotische soorten verzameld en geïmporteerd, aanvankelijk uit de Alpen en het Middellandse-Zee gebied, later ook uit Siberië en Azië. Zo werd de afgebeelde A. obliquum, uit Siberië, in 1759 in Engeland gekweekt. Sommige soorten verdwenen weer. De sterke uiengeur werd niet altijd gewaardeerd, en evenmin het feit dat het blad snel lelijk wordt. Andere, die gemakkelijk te kweken waren, zoals A. moly en ostrowskyanum (= oreophilum), of uiterst spectaculaire zoals A. giganteum waren blijvertjes. In de loop van deze eeuw nam het sortiment geleidelijk in omvang toe – met een begrijpelijke inzinking in de jaren ’50. Uit die tijd stamt het plaatje van het lieve kleine meisje naast de reuzenui. Om de zoveel jaar werd het plaatje vervangen en kon je vaststellen dat het meisje behoorlijk gegroeid was.

 

A.J. van Laren (Decoratieve Tuinbeplanting, 1913) vermeldt slechts A. moly, als randbeplanting, en A. giganteum. John Bergmans ( Vaste planten en rotsheesters, 1924/39) komt op 20 soorten, waaronder de niet te traceren A. pskemense. De catalogi geven eenzelfde beeld te zien. Tubergen  levert in ’31 en ’32 een 11-tal soorten, waaronder A. giganteum de kostbaarste is: in ’31 f 3,25 per stuk, in ’32 f 1,50. In Tubergen’s Engelse catalogus van ’33 worden 20 soorten vermeld. De Plantenvinder ‘97-’98 komt op 98 in Nederland leverbare soorten.

 

De naamgeving van Allium is niet zo erg veranderd: A. albo-pilosum heet nu A. christophii, A. azureum is nu A. caeruleum, A. pedemontanum (narcissiflorum) werd A. insubricum, A. pendulum is waarschijnlijk A. triquetrum, A. tibeticum werd A. sikkimense. Een iets moeilijker geval is A. rosenbachianum. Als u er de recente catalogi van Peter Nijssen (najaar ’98: 56 soorten Allium) op naslaat, weet u dat de vroeger en nu als zodanig vermelde soort waarschijnlijk een andere is, mogelijk A. jesdianum of A. stipitatum.

 

De kleine sieruien werden aanbevolen als “zeer mooi voor randen en in de rotstuin” (Turkenburg ’38 over A. moly). Tubergen (’32) vindt A. ursinum (Daslook) geschikt “om te laten verwilderen tusschen struikgewas”, daarbij het nadeel van de massale uitzaai onvermeld latend. Niet aflatend oogsten van het jonge blad als lente-uitjes en van de bol als vervanger voor knoflook is mij een oplossing gebleken.

De middelhoge en hoge soorten die destijds leverbaar waren – A. caeruleum (40 cm), A. giganteum (175 cm), A. ‘rosenbachianum’ (90-120 cm) en A. sphaerocephalum (nu: sphaerocephalon), werden soort bij soort in kleine of grotere groepjes in de gemengde border toegepast.

 

 'Kroezels en Korfkes', III, 1999, 56-57

 

Trycirtis hirta var. nigra. ’Flora’, H.Witte, Groningen 1868

 

 'Tricyrtis hirta var. nigra', IV, 1999, 56-57

 

“In den nazomer van ‘t jaar 1861 zag ik in den tuin van den Heer von Siebold, die zich toen in Japan bevond, eene zeer fraaije in potten gekweekte plant, die men daar niet lang geleden van den eigenaar van dat etablissement uit het land zijner predilectie ontvangen had”. H. Witte beschrijft hiermee in zijn Flora (1868) waarschijnlijk de introductie van deze “zeer bloemrijke plant”, Tricyrtis hirta. Deze bloeit wit met bruine vlekken, maar deed dat  volgens Witte “in den open grond geplant niet of althans zeer zeldzaam”. De selectie ‘nigra’, die enkele jaren later uit Engeland werd ingevoerd, bleek makkelijker in de omgang. Over de kleur merkt Witte op: “...van zwart kan hier evenwel in geenendeele sprake zijn; veeleer zijn de bloemen donker bruinachtig purper”.

 

Tricyrtis pilosa (Thunberg, 1784) leek minder geschikt voor de tuin en werd beschouwd als een liefhebbersplant. In 1869 (aldus Witte; klopt de datering in zijn Voorrede niet?) werd door von Siebold & Co de soort T. macropoda geïntroduceerd. Witte: “Deze bloeit reeds in ‘t midden van den zomer met geelachtige bloemen; zij staat echter, wat de sierlijkheid der bloemen betreft, verre bij de vorige achter”.

Leonard Springer gebruikte Tricyrthus (!) hirta regelmatig, o.a. in de tuin van Mw. Regout te Bergen (NH) en dhr. Post te Laren (NH).

 

De verkrijgbaarheid van Tricyrtis is nooit erg groot geweest. Springer bestelde T.hirta bij Moerheim, waar hij in ieder geval tussen 1921 en 1936 leverbaar was. De Teunisbloem (de kwekerij van C.Sipkes in Overveen; n.d. ) levert eveneens T. hirta, net als Singerskamp (Laren, n.d.), die daarnaast T. macropoda levert. Dit laatste doet ook Abbing (Zeist, `38-`39). De beschrijving van T. macropoda bij Abbing is juist (“donkergele, roodbruin gestippelde bloemen, 80 cm., juli-augustus”), maar Singerskamp heeft het over “donkercreme met purper stippen, 6-8”. Het is niet duidelijk of hier een andere soort of cultivar wordt bedoeld.

Verkrijgbaar zijn nu 23 soorten en cultivars: T. formosana (3 selecties), T. hirta (8 cv.’s, waaronder ‘Miyazaki’ en ‘Hotogogisu’), T. latifolia, T. macrantha, T. macropoda, T. ohsumiensis, T. puberula, T.’Shimona’, T. shinoanum, en een niet benoemde blauwe soort.

 

Gert Stam noemt T.formosana “waardevolle laatbloeiende planten”. Oudolf (Meer droomplanten, `99) merkt op: “De sterkste soort lijkt T. formosana, geschikt voor een mooie schaduwplek met een lekker humeus, vochthoudend grondje”. Zelf zag ik ze jaren uitdijen en bloeien in een tuin pal op het zuiden, in goed doorlatende grond, de voet koel gehouden door worteldoek met leischerven erop. Misschien moeten we er nog eens wat kweekproeven mee doen…

Monarda didyma. ‘Flora’, H.Witte, Groningen 1868


'Lof der Labiaten', II, 2000, 56-57

 

Stelt u zich eens voor, dat een bepaalde plantenfamilie opeens zou wegvallen. Wat een verarming zou dat betekenen voor de tuin! Dat geldt zeker voor de Labiatae (tegenwoordig Lamiaceae), en voor een tuin in de 30-er jaren zou het een gevoelige slag zijn. Het assortiment was lang niet zou ruim als nu (voorbeeld: 9 Salvia-soorten toen, tegen ruim 250 nu!), maar wel beeldbepalend: denk aan Nepeta mussinii en Physostegia virginiana. Vergelijken we de catalogi van H. Copijn & Zoon (‘38-’39, hieronder afgekort C), Faassen-Hekkens (‘38-’39, F), Moerheim (’36, M) en Van Tubergen (voorjaar ’39 T) dan krijgen we een aardige doorsnede. Tenzij anders vermeld zijn alle soorten en variëteiten nog verkrijgbaar.

Alleen Tubergen had Calamintha grandiflora. Dracocephalum Ruyschiana (C,F) heet nu ruyschianum. Hormium pyrenaicum (C) is nu Horminum p.; Mentha requienii (M) en M. piperita (M, nu x p.; altijd leuk voor de buren) zijn er nog. Monarda didyma (C) en M. ‘Cambridge Select’ (nu ‘C. Scarlet’) eveneens. Iedereen had Nepeta grandiflora ‘Souvenir d’ André Chaudron’ (ongetwijfeld vanwege de naam), ‘Six Hill’s Giant’ (dito) en mussinii (nu racemosa). John Bergmans’ botanische raffinesse voegde daar N. x Faassenii aan toe, waarmee zijn broodheer werd vereeuwigd (het is volgens B.”een kruising van N. Mussinii (hort.) met misschien N. cyanea, die vroeger en langer bloeit”). Moerheim vond Origanum vulgare een tuinplant: misschien had men toen meer tijd om te oogsten en zaailingen te wieden? Van Physostegia was leverbaar virginiana albiflora (C,F, nu ‘Alba’?) v. Rubra (M, nu ?) en v. Vivid (C,M). Prunella (door Copijn nog Brunella genoemd) was er in grandiflora (C), alba (C, nu gr. alba), Webbiana Rosea (C,F, nu gr. rosea) en incisa coccinea (C, nu vulgaris ‘Rubra’).

Over de waarde van Salvia waren de meningen kennelijk nogal verdeeld, evenals de systematiek. Tubergen was de enige die de ook nu nog gewaardeerde S. argentea, jurisicii, patens en sclarea voerde (maar de laatste rook naar ‘dienstbodenzweet’). Verder waren er S. nemorosa (M), superba (C, F, toen ook wel virgata nemorosa of nemorosa superba genoemd, nu x superba; taxonomische historie in een notedop!), rosea (C, nu ?), sylvestris (C, nu x sylvestris), Tenorii (M; volgens Bergmans S. haematodes, syn. S. Tenorei of S. pratensis var. Tenorei; nu haematodes of pratensis Haematodes groep. Moerheim noemt deze “zachtblauw”, maar gezaaide h. kan variëren tot purperblauw. Opnieuw selecteren dus!). Satureia (nu Satureja) was verkrijgbaar in alpina (C, nu hortensis?), montana (C,F) en montana pygmea (C, nu m. ssp. illyrica?). Stachys grandiflora (C, nu macrantha; iemand vond Grieks sjieker), grandiflora superba (F,M, nu gr. ‘Superba’) en lanata (C,M,T, nu byzantina; q.e.d.) waren populair.

De enige die nu vrijwel zeker nergens meer verkrijgbaar is – ongetwijfeld wegens zijn grote hekel aan natte voeten) is Sideritus (sic) libanotica (C, nu Sideritis syriaca?). U ziet, een tuinlabiatenverzameling was destijds nog haalbaar!

 


'Helianthus', III, 2000, 56-57


'Goudsbloemen en Gaillardia's', III, 2000, 56-57