
IBN HAZM
Zijn volledige naam luidt Abu Muhammad Ali ibn Ahmad ibn Sa'id ibn Hazm, en hij wordt genoemd Abu Muhammad, of Ali ibn Hazm, of kortweg Ibn Hazm. Hij werd geboren op 30 Ramadan 384 (7 november 994) in Córdoba en stierf op 28 Sha'ban 456 (15 augustus1064). Zijn voorgeslacht woonde waarschijnlijk al in Spanje toen de Arabieren het in 711 binnenvielen. Zijn overgrootvader schijnt zich tot de Islam bekeerd te hebben. Ibn Hazm's vader, Ahmad ibn Sa'id ibn Hazm, was als vizier, dat wil zeggen een soort persoonlijk adviseur en vertrouwensman, in dienst bij de hajib Ibn abi Amir al-Mansur, en diens zonen en opvolgers al-Muzaffar en Abd al-Rahman.
Van de vrouwen in Ibn Hazm's leven weten we alleen wat hij ervan zegt in zijn bekendste werk, 'De ring van de duif'. Hij is tussen hen opgegroeid en hij is een paar maal hevig verliefd geweest op een slavin uit de huishouding van zijn vader. Alleen zijn slavin Nu'm noemt hij met name, want "zij was alles wat men zich zou kunnen wensen: haar schoonheid, zowel van uiterlijk als van karakter, was buitengewoon, en hetzelfde gold voor de harmonie die tussen ons bestond. Ik ontnam haar haar maagdelijkheid, en wij beminden elkaar in gelijke mate. Toen wist het lot mij in haar te treffen: de voortgaande tijd rukte haarweg, bitter werden de dagen, en zij werd de metgezellin van stof en stenen. Toen zij stierf was ik twintig jaar, en zij was nog jonger... Na haar dood heb ik geen plezier meer in het leven gehad. Ik heb haar nooit vergeten, en met niemand heb ik zo'n hechte band gehad als met haar. Mijn liefde voor haar heeft alles wat eraan voorafging uitgewist en alles wat erna kwam ongeoorloofd gemaakt." Over zijn moeder vermeldt hij echter niets, evenmin als over een echtgenote.
De positie van Ibn Hazm's familie bracht met zich mee dat hij een traditionele en voorname opvoeding genoot. In De ring van de duif noemt hij enkele van zijn leermeesters en de vakken waarin hij van hen onderricht kreeg, zoals Islamitische traditie, grammatica, retorica, dialectiek, theologie, rechtsgeleerdheid, klassieke Arabische poëzie en filosofie. Na de revolutie die de Amirieden ten val bracht en de burgeroorlog inluidde brak een moeilijke tijd aan voor de familie van Ibn Hazm.
Het prachtige huis van de familie in Balat Mughith werd verwoest en zijn vader kwam te overlijden terwijl hij verwikkeld was in de nasleep van een mislukt complot tegen de generaals van de Saqaliba-troepen, de slavenlegers die uit alle delen van het Christelijke Europa werden bijeengebracht en die samen met de Berberhuurlingen de kern van het leger der kaliefen vormden.
In juli 1013 verliet Ibn Hazm Córdoba, dat erg had geleden onder de burgeroorlog. In De ring van de duif laat hij menige verzuchting horen, vol heimwee naar de goede tijden van weleer, die wel nooit meer terug zullen keren. Na een verblijf in Almería dat eindigde in gevangenschap en verbanning, na omzwervingen via Hisn al-Qasr en Valencia werd hij vizier van de Umayyaden-pretendent naar het kalifaat aldaar, Abd al-Rahman IV, bijgenaamd al-Murtada (1018). In diens leger vocht hij voor de muren van Granada, raakte in gevangenschap, maar wist na enige tijd zijn vrijheid te herkrijgen. In februari 1019 keerde hij na een zwervend leven van bijna zes jaar in Córdoba terug, dat toen geregeerd werd door de Berber-kalief al-Qasim.
In 1922 leefde Ibn Hazm teruggetrokken in Játiva, waar hij mogelijk aan De ring van de duif begon te schrijven. Toen al-Qasim, na al eerder een keer te zijn afgezet en teruggekomen te zijn, in december 1023 werd verdreven en de Umayyade Abd al-Rahman V, bijgenaamd al-Mustazhir, tot kalief werd gekozen, benoemde deze intellectueel en literaat zijn vriend Ibn Hazm tot vizier. De kalief was echter niet opgewassen tegen de turbulente toestanden in het geteisterde Córdoba en na een machteloze regering van zeven weken werd hij afgezet en ter dood gebracht.
Ibn Hazm geraakte toen weer in gevangenschap. Hoe lang deze precies heeft geduurd is niet bekend. In 1027 bevindt hij zich weer in Játiva. Hij heeft waarschijnlijk toen verder aan zijn Ring van de duif geschreven. Later zou hij nogmaals vizier zijn geweest, nu van de laatste Umayyaden-kalief van Spanje, Hisham III, bijgenaamd al-Mu'tadd, die regeerde van 1027 tot 1031. Dit staat niet vast, maar behoort zeker niet tot de onmogelijkheden, want Ibn Hazm's politieke sympathie heeft altijd - uit De ring van de duif blijkt het veelvuldig - aan de kant van de Umayyaden gestaan. Maar omstreeks deze zelfde tijd moet hij het besluit genomen hebben de politiek de rug toe te keren en zich geheel aan de wetenschap te wijden.
De duif is een veel voorkomend motief in de Arabische liefdesliteratuur. Het koeren van de duif vervult het hart met droefheid, door de gedachten aan de geliefde die het oproept. De nostalgie die in het boek doorklinkt heeft misschien ook de keuze van de titel bepaald. Met de ring wordt bedoeld de gekleurde band in de hals van de duif, die daarom vaak als 'geringd' of 'gekraagd' wordt beschreven (Duits: Ringeltaube). De ondertitel van het boek luidt in het Arabisch: Fi' I-'Ulfa wa' I-Ullaf. 'Ulfa betekent: genegenheid, vriendschap, een gevoel van verbondenheid. 'Ullaf zijn de mensen die een dergelijk gevoel koesteren. Een compact equivalent voor deze begrippen biedt het Nederlands niet, vandaar dat wij deze vertaling de ondertitel 'Over minnaars en liefde' meegegeven hebben. Het boek is geschreven als een brief aan een goede vriend, een voor korte verhandelingen gebruikelijke vorm in de Arabische literatuur. In het eerste hoofdstuk zet de auteur zijn bedoelingen uiteen.
Het boek zal gaan over de liefde, in de verschillende vormen waarin die zich voordoet: liefde die voortkomt uit zielsverwantschap, innige vriendschap, en de liefde die haar oorzaak vindt in het voordeel dat men ervan hoopt te hebben, hetzij in het maatschappelijke, hetzij in het seksuele. Onderscheid in liefde tussen mannen onderling en die tussen man en vrouw maakt Ibn Hazm niet. Met 'de geliefde' kan doorgaans evengoed een man als een vrouw bedoeld zijn. In de vertaling hebben wij daarom steeds de mannelijke vorm aangehouden. In de Arabische literatuur was het overigens gebruikelijk om over de geliefde in de mannelijke vorm te spreken, tenzij het om een met name genoemde vrouw ging; men moet uit het gebruik van de mannelijke vorm dus niet afleiden dat het om een homoseksuele relatie gaat, al kwamen die veel voor. En ook als de geliefde waarover gesproken wordt wel een man is hoeft dat geen seksuele relatie te impliceren.
Uit De ring van de duif blijkt dat liefde tussen mannen voor Ibn Hazm een vanzelfsprekende zaak was. Zijn afkeuring geldt slechts 'zondige praktijken', dat wil zeggen alle seksuele relaties behalve de door de Wet toegestane. In de islamitische wet zijn seksuele betrekkingen, behalve tussen echtelieden, alleen geoorloofd tussen slavinnen en hun eigenaars. Trouwen kon men een slavin niet, daarvoor moest men haar eerst vrijlaten, zoals in het verhaal uit het hoofdstuk over de Onderworpenheid. Wel waren de kinderen die iemand bij zijn slavin verwekte wettig.
Ibn Hazm zal, zegt hij in zijn inleiding, in zijn boek voornamelijk gebruik maken van wat hij zelf heeft beleefd of van anderen heeft meegemaakt. Liefdesverhalen over Bedoeïenen (een belangrijk onderdeel van de Arabische liefdesliteratuur) zal hij buiten beschouwing laten: 'Er zijn al zoveel verhalen over hen, en het is niet mijn gewoonte om een ander rijdier dan mijn eigen uit te putten, en evenmin om me te sieren met geleende tooi.' Wel zal hij uitspraken van gezaghebbende mensen en wat hem zoal meer door studie duidelijk is geworden in zijn boek verwerken, en hij zal het illustreren met gedichten van zijn eigen hand.
Bij het rangschikken van zijn materiaal heeft Ibn Hazm zich sterk laten leiden door de literaire traditie van zijn tijd, zoals hij in het laatste hoofdstuk zelf ook zegt. Hij verdeelde zijn boek in dertig hoofdstukken, die elk een aspect van de liefdesrelatie behandelen; dezelfde aspecten die ook in de Arabische liefdespoëzie vaste thema's zijn. Het wegkwijnen door liefdesverdriet, geroddel dat de liefdesrelatie kapot maakt, het verschijnen van de geliefde in de droom enz. zijn allemaal thema's waarop een eindeloze variatie van verzen bestaat.
Originaliteit van beeldspraak en taalgebruik, niet die van de gebruikte thema's was maatgevend voor de merites van een Arabisch gedicht. Doordat er zoveel persoonlijke ervaringen in het boek zijn verwerkt, is het een belangrijke bron over Ibn Hazm zelf en de tijd waarin hij leefde, een bewogen periode zoals hierboven bleek. Ook krijgen we uit De ring van de duif een indruk van het leven van de Córdobaanse aristocratie. Ibn Hazm vertelt over zijn jeugd, die hij, zoals in goede families gebruikelijk was, temidden van vrouwen doorbracht (zijn scepsis ten opzichte van vrouwen brengt hij daarmee in verband).
Contact met de buitenwereld was voor vrouwen uit de hogere standenheel moeilijk. 'Goed bewaakt' was voor vrouwen haast een synoniem voor 'van goeden huize'. Toch vonden gelieven altijd wel een manier om elkaar tekens te geven: een tersluikse groet vanaf het dak, een veelbetekenende blik, of een boodschap die overgebracht werd door een van de personen die beroepshalve toegang tot de vrouwenverblijven hadden: kapsters, verkoopsters, naaisters, huisleraressen enzovoort.
Al dergelijke contacten vormden een risico voor de eerbaarheid van vrouwen die, zegt Ibn Hazm (in het hoofdstuk over 'De behulpzame vriend') daarvoor bijzonder ontvankelijk zijn, daar zij 'niets om handen hebben en alleen maar denken aan het bedrijven van de liefde en wat daartoe kan leiden... Ze hebben immers geen enkele andere bezigheid, en zijn voor geen ander doel geschapen. Mannen daarentegen moeten hun aandacht verdelen tussen het verdienen van geld, het vertoeven aan het hof, het verwerven van kennis, het zorgen voorhun familie...'
Soms slaagde de geliefde erin de minnaar een brief te sturen. Die moest dan na ontvangst zo spoedig mogelijk vernietigd worden, met hoeveel pijn in het hart ook, 'want hoeveel schandalen zijn niet door brieven veroorzaakt!' Een afleiding vormden de feesten die af en toe aan het hof of in de huizen van aanzienlijke families gegeven werden, en waarbij ook de vrouwen werden uitgenodigd. Dan werd er muziek gemaakt en traden er zangeressen op, slavinnen die een muzikale opleiding hadden gehad. Dergelijke slavinnen waren vaak in liefdesaffaires verwikkeld, en op zo'n feest maakte een zangeres wel eens van de gelegenheid gebruik om in haar lied toespelingen te maken die alleen voor ingewijden te begrijpen waren, zoals bijvoorbeeld in het hoofdstuk over 'Het maken van toespelingen'.
De mannen kwamen dikwijls bij elkaar en amuseerden zich onder het genot van een glas wijn met elegante conversatie en het improviseren van gedichten. Wilde men die avond nog naar huis, dan moest men het niet te laat maken, want 's nachts gingen de poorten van de verschillende stadswijken dicht en wie zich op straat vertoonde werd door de nachtwacht aangehouden. Dan zou het kunnen gebeuren dat men zijn vrouw een nacht alleen moest laten, en wie kon er zeker van zijn dat die in zulk onkreukbaar gezelschap zou verkeren als de jongeman uit het hoofdstuk over 'De deugd der kuisheid', die iedere keer wanneer hij voor de avances van de vrouw dreigde te zwichten zijn vinger in de vlam van de lamp hield om zich zo de pijn van het hellevuur, de straf voor eventuele zonde, voor te stellen?
Zoals te verwachten is, is er in de liefdesgeschiedenissen waarvan Ibn Hazm melding maakt maar zelden sprake van liefde van de hoogste categorie die hij in zijn inleiding noemt, de liefde die ontstaat doordat men in een ander de ontbrekende helft van zijn eigen ziel terugvindt. Zo'n liefde blijft altijd even groot en wordt niet door de tijd aangetast; de herinnering eraan blijft vers, hoe lang het ook geleden is. Zij kan nooit in haat of onverschilligheid verkeren, zoals dat kan gebeuren met liefde waarop Gods zegen niet rust, bijvoorbeeld omdat het een door de Wet verboden liefde is, zoals Ibn Hazm in het hoofdstuk over 'De verwerpelijkheid van de zonde' beschrijft. In de meeste gevallen die Ibn Hazm vermeldt is van heel wat minder ideële liefde sprake, want in De ring van de duif komt de dagelijkse werkelijkheid voortdurend aan de orde.
Dat is wat het boek zo aantrekkelijk maakt voor de westerse lezer, en het is ook de reden waarom het binnen de Arabische literatuur enigszins op zichzelf staat. Er zijn in het Arabisch een aantal boeken over de liefde, maar daarvan blijft de inhoud doorgaans ondergeschikt aan het literaire, morele of filosofische standpunt dat de auteur bij het schrijven van zijn boek als uitgangspunt nam - met het gevolg dat de vermelde liefdesverhalen een aanzienlijk bloedelozer indruk maken dan in De ring van de duif het geval is.
Zoals zoveel Arabische werken is De ring van de duif slechts door een toeval bewaard gebleven. Er bestaat maar één handschrift van de tekst. Dat dateert uit 1338 en werd tussen 1645 en 1665 door Levinus Warner, Hollands gezant te Constantinopel, gekocht. Na zijn dood in 1665 kwam het met de andere oosterse handschriften die hij had verzameld in de Leidse Universiteitsbibliotheek terecht, waar het zich nu nog bevindt.
afb. Bladzijde uit het enige bekende manuscript van De ring van de duif, Universiteitsbibliotheek Leiden
De Arabische tekst werd voor de eerste maal uitgegeven door D.K.Pétrof in 1914, een uitgave die door een aantal andere werd gevolgd. De tekst van het Leidse handschrift omvat niet de complete Ring van de duif: De copiïst die het boek afschreef zegt, na de tekst: 'Hiermee is de afschrijving van het boek, bekend als De ring van de duif van Abu Muhammad Ali ibn Ahmad ibn Sa'id ibn Hazm (God hebbe welgevallen aan hem), voltooid. Het grootste deel van de verzen heb ik weggelaten, maar ik heb het beste ervan laten staan om de schoonheid van het boek te vergroten en duidelijker uit te laten komen. Ik heb daardoor het boek kleiner van omvang gemaakt en gezorgd dat de lezer minder moeite hoeft te besteden aan het opzoeken van zeldzame woordbetekenissen. Ik zeg dank aan God, de Verhevene, voor Zijn hulp en Zijn goedgunstigheid. Het afschrijven van de tekst werd voltooid in het begin van de maand Rajab, de Unieke, van het jaar 738 [dat wil zeggen januari 1338]. Lof zij God, de Heer der werelden.'
Waarschijnlijk heeft het boek door deze inkorting niet veel verloren, want de verzen zijn zelden van hoge klasse; het merendeel is nogal stereotiep, hoewel dat de lezer die niet met Arabische poëzie vertrouwdis niet zo zal opvallen. Een versregel als:
De tuin lacht en de wolken wenen
Als de gekwelde minnaar die zijn liefste ziet
zal de Nederlandse lezer, die niet weet hoe versleten het beeld is, misschien heel origineel lijken. Doordat de westerse lezer niet met de vaste thematiek van de Arabische poëzie vertrouwd is zijn de gedichten voor hem ook niet altijd even gemakkelijk te begrijpen.
De Arabische dichtkunst kent een groot aantal vaste motieven en beelden die zo bekend zijn dat een enkele aanduiding voldoende is om bij de toehoorder het hele bijbehorende complex van betekenissen op te roepen, zoals bijvoorbeeld in het hoofdstuk over 'Scheiding', waar Ibn Hazm zegt:
Staat stil, en laat ons deze sporen naar de bewoners vragen
De Arabier herkent dit als het overbekende begin van talloze gedichten: de dichter trekt door de woestijn met twee metgezellen, zij stuiten op sporen van een verlaten kamp, hij verzoekt zijn beide gezellen om halt te houden en te denken aan de mensen die hier gewoond hebben, en waaronder zich zijn geliefde bevond. Dat is dan de aanleiding om te klagen over de scheiding, en zich de gelukkige dagen van weleer te herinneren.
Er is een aantal vaste uitdrukkingen om de geliefde te beschrijven. Zij wordt vergeleken met de zon; haar (of zijn) gezicht is als de volle maan, haar wangen zijn als rozen, haar tanden parels, haar lippen robijn of kornalijn, en haar speeksel is een leven-brengende drank. Haar wenkbrauwen zijn sierlijk gebogen als de maansikkel, en haar wimpers lijken op scherpe pijlen die het hart van de minnaar doorboren. Haar (of zijn) gestalte is rank als een twijg, zij is mollig en blank als opgerold perkament. Haar sieraden rinkelen wanneer zij loopt en zaaien onrust in het hart van de minnaar. Haar gang is wiegend en lijkt op die van de duif, of op het deinen van narcissen in de lentewind.
Ook voor de minnaar is er een vast arsenaal van beschrijvingen: hij wordt door zijn liefde verteerd; hij slaapt niet meer, eet niet meer, en zijn gezondheid kan zo ondermijnd worden dat hij sterft: de liefde lijkt een gast die hij met zijn lichaam moet voeden. Zijn vrienden spreken hem soms bestraffend toe en zeggen dat hij zich moet vermannen.
De tekst van hoofdstuk 5, 'Liefde op het eerste gezicht', is HIER te vinden.
Het vertalen van Arabische poëzie is niet eenvoudig, niet alleen doordat een enkel woord in een Arabisch gedicht bij de oosterse lezer een complex van betekenissen kan oproepen dat de westerse lezer ontgaat, maar ook door de vorm die de gedichten hebben. Coupletten heeft het Arabische gedicht (afgezien van enkele speciale vormen daarvan) niet; het bestaat uit een aantal versregels, zelden meer dan een stuk of dertig, die alle hetzelfde rijm en metrum hebben. Iedere versregel bestaat zelf weer uit twee half-verzen, die onderling niet rijmen. Ieder halfvers is een metrische eenheid.
De structuur van het Arabisch maakt dat het heel goed mogelijk is om een gedicht van dertig (of meer) op elkaar rijmende regels te maken. In het Nederlands is dat anders, en daarom zijn in de vertaling de langere gedichten verdeeld in groepjes van versregels die inhoudelijk min of meer bij elkaar horen. De vertaling van de termen die Ibn Hazm voor de verschillende soorten liefde gebruikt is ook een probleem. Consequent hetzelfde Arabische woord door hetzelfde Nederlandse woord weergeven bleek ondoenlijk, ook al omdat het Nederlands niet bijzonder rijk is op dit gebied. De kwestie van de sekse van de geliefde over wie in de Arabische tekst gesproken wordt is hierboven al ter sprake gekomen.
Een enkele maal zal men in de tekst stukjes rijmend proza tegenkomen. Rijmproza is in het Arabisch een aparte vorm van literatuur; de Koran is er grotendeels in geschreven. In het Nederlands komt men het ook wel eens tegen, maar niet in de 'officiële' literatuur. Bruintje Beer is er een voorbeeld van. In elegant Arabisch proza is het niet ongebruikelijk om af en toe een stukje rijmproza in te lassen; vaak hebben zulke gedeelten een plechtig karakter.
Tekst overgenomen uit JJ Witkam/R Kruk (vert.), De ring van de duif, Meulenhoff, Amsterdam 1977