MUZIEKTHEORIE. AL-FARABI

 

Griekse beschouwingen over de muziektheorie waren al eerder in het Arabisch vertaald door (de school van) Hunayn ibn-Ishaq: de 'Problemata' en 'De Anima' van Aristoteles, 'De Voce' van Galenus en het aan Euclides toegeschreven 'Boek over Melodie.'

 

Het werk van al-Farabi (d.950, Damascus, ook beroemd als luitspeler) besloeg verschillende terreinen: filosofie (verhandelingen over Plato en Aristoteles, waaronder bewerkingen van diens 'Republiek' en 'Politiek'), mystiek (hij staat bij de Sufis bekend als 'de tweede leraar') en muziek.

 

Farabi geldt als de belangrijkste Arabische muziektheoreticus. In twee van zijn wetenschappelijke compendia wordt het thema behandeld, evenals in drie van zijn hoofdwerken, waarvan het 'Grote boek over de muziek' het beroemdst is. Twee van zijn volgelingen, Ibn-Sina (Avicenna, d. 1037), en Ibn-Rushd (Averroes, d.1198) maakten de theorieën voor een grotere kring begrijpelijk en werden vertaald in het Latijn. Het waren lange tijd de standaardwerken in West-Europa, waarin het 12-toons systeem uiteen werd gezet.