onderzoek  
  redactie  
  Publicaties  
     
 
website: Cantua
 info@cantua.nl
 laatste update: 22-Jan-2012
 
 

Cantua

tuinhistorisch onderzoek, technische en wetenschapsjournalistiek


  

[artikel verschenen in OnzeEigenTuin, 2009-2]

De planten van Karl Foerster

Zijn eerste kwekerij begon Karl Foerster (1874-1970) in Berlijn-Westend in 1907, waar hij de eerste van zijn beroemde Delphiniums uit de Belladonna-groep won, de gentiaanblauwe ‘Arnold Böcklin’, die als enige van de echt blauwe riddersporen zacht naar vanille kan ruiken. Al vroeg trok hij door zijn artikelen en lezingen de aandacht van tuiniers en architecten. Zo verzorgde hij al in 1911 de beplanting bij een landhuis in Hagen dat ontworpen was door Peter Behrens, een van de grondleggers van de moderne Duitse architectuur.

foerster_2

Foerster's Senkgarten in de jaren 20. Uit Winterharte Blütenstauden und Sträucher der Neuzeit, 1929

Vier jaar later verhuisde hij naar Bornim bij Potsdam, waar de kwekerij en zijn huis met de tuinen zich nog steeds bevinden. Foerster, wiens naam meestal wordt afgekort tot KF en die door intimi ook wel Karlchen werd genoemd, heeft op die plaats tal van vasteplantensoorten die tot dan toe ‘eeuwenlang een beschouwelijk leven hadden geleid in klooster-, burgermans- en boerentuinen’, aldus Richard Hansen, tot leven gewekt en bijgedragen aan de onstuimige ontwikkeling waaraan het vasteplantensortiment begon. KF had weinig op met de Duitse Jugendstil-tuinen van het fin de siècle, waarin met hagen en latwerken de strijd werd aangegaan tegen de verkeerd begrepen landschapsstijl en zijn vernieuwde, foute maatvoering en de monsterlijke Teppichbeeten. Hij vluchtte de natuur in en lag er te piekeren over zijn dilemma, totdat hij inzag dat het de natuurlijke schoonheid van wilde bloemen was die het thema moest vormen van een nieuw sortiment bloemen voor de tuin, de bloeiende vaste planten.

foerster_3

Foerster's werkkamer

Maatgevend bij het vinden en beoordelen van de nieuwe variëteiten waren, naast gezondheid en stevigheid, de ontwikkeling tot tuinkwaliteit van de aanvankelijk vaak zo bescheiden, saaie uitgangssoorten – ‘oude woekerplanten en wezenloze vulheesters’ noemt hij ze, die maar liever verbrand moesten worden. Phlox, iris, ridderspoor, herfstaster, anemoon en primula, ze waren al veel langer in tuinen geplant, maar ze waren zo weinig bruikbaar door hun kwetsbaarheid en het beperkte kleurenscala. Door op zoek te gaan naar nieuwe plantvormen en -kleuren schiepen KF en zijn collega’s volledig nieuwe mogelijkheden: Phloxen en herfstasters in verschillende hoogten en tientallen bloemkleuren, riddersporen van een ongekend blauw, Heleniums in volkomen nieuwe tinten… Het bezwaar van sommige Heimat-puristen dat er door zijn werk teveel vreemde invoeringen Duitsland binnenkwamen wees hij af met erop te wijzen dat ook de traditionele boerentuinplanten oorspronkelijk grotendeels van buitenlandse afkomst waren.

Het onder de aandacht brengen van al die prachtige nieuwe vondsten deed KF in tal van boeken en artikelen, die ervoor zorgden dat men er in brede kring in Duitsland en ver daarbuiten kennis van kon nemen. Foerster vond dat tuinieren een belangrijke bijdrage tot een gelukkig bestaan was, en die gedachte werkte hij verder uit. De natuurfilosofische opvattingen van de Belgische Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck (1862-1949) klinken in KF’s werk door, zijn lyrische toon is duidelijk door diens werk beïnvloed. ‘Schoonheid, het enige voedsel van onze ziel’ was een citaat van Maeterlinck waarmee KF van harte instemde. Al in 1911 schreef KF in zijn Winterharte Blütenstauden und Sträucher der Neuzeit dat de verspreiding van het nieuwe plantensortiment moest worden gestimuleerd door ze te laten zien in proeftuinen naar het voorbeeld van de bestaande botanische tuinen zoals die in Berlijn-Dahlem, Frankfurt am Main, München en Dresden. De nieuwe proeftuinen moesten, na de eerste selectie die op de velden van de kwekers plaatsvond, de bruikbaarheid van nieuwe planten onderzoeken door ze op verschillende locaties gedurende langere tijd op gezondheid en ontwikkeling te vergelijken met het bestaande sortiment. Foerster was tot deze gedachte gekomen in zijn eigen praktijk, waar hij nieuw gewonnen planten rücksichtslos uit de kweekbedden verwijderde – volgens sommigen de enige gelegenheid waarbij de als uiterst beminnelijk beschreven Foerster wel eens op een woedende uitval werd betrapt was, wanneer hij in de eigenschappen van een veelbelovende werd teleurgesteld en hij deze met één uithaal van zijn wandelstok neermaaide.

Bij een andere gelegenheid benoemde hij op humoristische wijze de foute eigenschappen die planten – in dit geval riddersporen – konden hebben. Hij onderscheidde ondermeer Strohfeuersorten, die de eigenschap hebben een paar jaar voorspoedig groeien en dan opeens bijna niets meer doen; Sonnenrunzler (zonrimpelaars), met vochtige groeiplaatsen verwende soorten die in felle zon verschrompelen – aanbevolen voor de komposthoop, aldus KF; Lückenrispler (gatpluimigen) hebben geen egaal met bloemen bezette stengels en zullen die ook nooit krijgen; Geizhälse (gierigaards) met een ondanks goede verzorging te gering aantal bloemstelen; Wegelagerer (opdegrondliggers) die vroeg uit elkaar vallen, al voor steunmateriaal kan worden geplaatst, en met de knieën op de grond verder opgroeien, vaak met lelijk gekromde bloemstelen; Müllerburschen (molenaarsknechtjes), wit van het meeldauw, misschien wel het grootste probleem bij riddersporen (en phloxen), omdat het bijna onmogelijk is weg te selecteren, voorkomen of bestrijden; en Kerzenknicker (kaarsknakkers) die ‘bij een bepaald soort stille regen’ hun bloemen zo met water vullen dat de uitgegroeide bloemstelen onder de bloemen afbreken.In zijn eigen tuin, die rond 1912 onder medewerking van tuinarchitekt Willi Lange was aangelegd en in een aparte proeftuin plantte hij zijn nieuwe aanwinsten om ze op bruikbaarheid in verschillende combinaties te testen.

foerster_1

Karl Foerster's Senkgarten in Bornim

De eerste echte Schau- und Sichtungsgarten naar een ontwerp van Mattern en Foerster werd vanaf 1935 aangelegd op de Freundschaftsinsel in Potsdam. Na de oorlog werd deze hersteld en volgden nieuwe proef- en kijktuinen in Erfurt, Weihenstephan, Hamburg en Hannover. KF was van mening dat de nieuwe ideeën over tuinen en planten het best konden worden verspreid in een modern tuintijdschrift. Dat kwam er in 1920 onder de naam Gartenschönheit, met als redaktie KF en de bekende botanicus-tuinarchitekt-dendroloog Camillo Schneider (1876-1951). Toonaangevende moderne tuinarchitekten als Otto Valentien, Hermann Mattern en Hertha Hammerbacher, Hermann Göritz en Georg Pniower, maar ook bekende kwekers als de gebroeders Jelitto en vele anderen leverden bijdragen aan het tijdschrift, dat in 1941 ophield te bestaan. Mattern en Hammerbacher werkten jarenlang met KF samen, omdat hij vanuit Bornim niet alleen ‘nieuwe bloemen ‘maar ook ‘nieuwe tuinen’ de wereld in wilde laten gaan. Mattern werd vanaf 1927 hoofd van de afdeling tuinarchitectuur en werkte met Hammerbacher en andere ‘Foersterianer’ samen in wat wel wordt omschreven als een ‘Worpswede voor tuinarchitekten’ – Worpswede is de in 1889 gestichte kunstenaarskolonie in de omgeving van Bremen, waarvan overigens ook de bekende landschapsarchitekt Leberecht Migge deel uitmaakte. KF publiceerde 33 boeken en talloze artikelen. Naast het eerder genoemde Winterharte Blütenstauden… zijn de belangrijkste ervan Vom Blütengarten der Zukunft en Der Steingarten der sieben Jahreszeiten. De laatste uitgave was moeilijk te financieren; daarom wendde KF zich tot enkele van de aan hem leverende kwekers met het verzoek om de uitstaande rekeningen te schrappen, zodat hij dit belangrijke werk het licht kon doen zien. Mien Ruys herinnerde zich in 1954 dat haar vader een van degenen was die aan dit verzoek gehoor gaf. Minstens zo belangrijk vond zij het Blumenzwiebelbuch (1939), omdat het volgens haar nota bene het enige boek was dat liet zien wat men met bloembollen in de tuin kan doen.

blauwer_schatz

Esther Bartning, aquarel voor Blauer Schatz der Gärten, 1935-37

Het aantal door KF in een periode van 65 jaar gewonnen nieuwe selecties is niet meer precies vast te stellen. Het begrip ‘selectie’ dient men bij KF ruim op te vatten: Een tijd lang zwierf hij in de herfst langs boerentuinen overal in het Duitse taalgebied om de mooiste van de daar bloeiende, meestal onbenaamde soorten chrysanten te verzamelen. De ene lijst noemt een totaal van 362 nieuwe invoeringen (Konrad Näser), een andere somt er ruim 700 op (Marie-Luise Kreuter), de lijst van de Duitse Garten Literatur website (www.garten-literatur.de) houdt het op 526. De zwaartepunten liggen op de geslachten Aster (amellus, dumosus, novae-angliae en novi-belgii), Chrysanthemum (in de destijds gebruikelijke zin), Delphinium, Helenium, Phlox paniculata. Ter gelegenheid van de BuGa 2001 zijn op de Freundschaftsinsel in heel Europa alle nog verkrijgbare KF-planten bijeengezocht, wat tot resultaat had dat 204 soorten konden worden getoond. Door middel van zijn catalogi en Einzug der Gräser und Farne in den Garten heeft KF er bovendien vrijwel eigenhandig voor gezorgd dat varens en grassen vanaf de Eerste Wereldoorlog weer gartenfähig werden. Hij deelde, in tegenstelling tot veel van zijn kollega’s, altijd met gulle hand zaad en planten uit. Een navolgeling als Ernst Pagels heeft met behulp daarvan KF’s werk tientallen jaren voortgezet, maar ook andere Duitse kwekerijen als Klose, Pötschke u. Benary, Arends en Dr. Simon kregen rechtstreeks uitgangsmateriaal van KF of baseerden zich sterk op zijn ideeën.

Over het toepassen van kleurencombinaties had KF zeer uitgesproken ideeën. Een van de uitgangspunten bij het kweken van nieuwe variëteiten was immers het vinden van andere, sprekender of juist subtieler bloemkleuren. Blauw nam een bijzondere plaats in, hij wijdde er zelfs een apart boek aan, Blauer Schatz der Gärten, waarin het uiteraard vooral ging over irissen en riddersporen. Die blaue Blume scheint uns im Garten eine Fremdlingin, ein vom Himmel gefallenes Juwel, zegt hij in een artikel in Gartenschönheit van juli 1928. KF werkte het liefst met combinaties van drie kleuren – Dreiklänge – die zowel uit drie verwante tinten konden bestaan, bijvoorbeeld ijsblauw-azuurblauw-nachtblauw of gentiaanblauw-zilverblauw-opaal bij riddersporen, maar ook uit groepen van verschillende tegelijk bloeiende planten in bij elkaar passende kleuren. Het idee van planten die elkaars goede buren zijn in een beplanting (Benachbarung) is door KF als eerste in zijn catalogi geïntroduceerd. Bloemkleurcombinaties vormden daarbij het uitgangspunt, niet ekologische of vormgevingsaspecten. Volgens Walter Funcke wist hij intuïtief toch vaak de juiste ekologische samenhang te treffen: ‘Hij had een oog voor wat bij elkaar paste – maar hij legde het niet in strenge regels vast’. Foersters werk leeft voort in de tuinen op de Freundschaftsinsel, bij zijn huis in Bornim en in tal van op zijn ideeën geïnspireerde nieuwere ontwerpen, zoals de vorig jaar gerenoveerde Karl Foerster tuin in Berlijn-Marzahn naar een ontwerp van Christian Meyer.