[Article in Dutch about 'Paradise on Earth: Islamic Gardens'. Tuinjournaal, V11 no.5, Amsterdam 1994.]
[artikel verschenen in Tuinjournaal 5 (11), 1994]
Het Paradijs op aarde: Islamitische tuinen
"Zag men ooit iets mooiers dan de ogen van narcissen, of de blikken die zij elkaar toewerpen op een feest? Parels ontspringen uit gele saffieren, rustend op smaragden stelen, op tapijten van fijne groene zijde..." Al-Sanawbari (d. 945).
Tot wie ze hun verzen ook richtten, door de eeuwen heen vonden moslimdichters in de tuin een onuitputtelijke bron van beeldspraak. Een ode aan de weldoener, een liefdesgedicht of de verwoording van een mystieke ervaring, de symboliek die de dichter gebruikte had veelal zijn oorsprong in de tuin. Verwonderlijk is dit niet, want daar vond men beschutting tegen de brandende zon in de schaduw van cypressen en platanen, verkoeling door het altijd aanwezige water, en werden de zintuigen gestreeld door velerlei genietingen. De vorst legde rond zijn paleizen lusthoven aan, waarin hij zijn rijkdom en almacht kon benadrukken. De soefi trok er zich in terug voor de mystieke beschouwing van de natuur. Drinkebroers die niet maalden om god of gebod richtten er hun gelagen aan. Wat zij gemeenschappelijk hadden was de gedachte dat een tuin de meest getrouwe afspiegeling is van het Paradijs. Iedere moslim kent immers de beschrijving uit de Koran (55:46-75), waarin gezegd wordt: "Voor wie hun Heer vrezen zijn er twee tuinen, vol van allerlei soorten. In beide zijn twee spuitende fonteinen, en twee soorten van alle vruchten (...) en daarnaast nog twee tuinen, vol van groen, met twee overvloedige bronnen, en vruchten, dadelpalmen en granaatbomen..." Deze beschrijving van de vier tuinen van het paradijs is de basis voor de vormgeving in de Islamitische tuinkunst.
Met de verovering van steeds weer nieuwe gebieden werden telkens elementen toegevoegd aan dit uitgangspunt. De Perzische cultuur droeg het woord firdaws bij, waarvan via het Grieks ons woord paradijs eveneens is afgeleid. In de Koran staat jannat, sterk verbasterd terug te vinden in het Spaanse generalife, oorspronkelijk jannat al-carief (tuin van de opzichter). Meer concrete bijdragen waren het paviljoen, de schaduwgevende arcades en de kanaaltjes en vijvers. De combinatie van deze gegevens met de beschrijving uit de Koran vormde de basis voor de chahar bagh (viervoudige tuin), een begrip dat later het hele complex van paleis, tuinen en paviljoens ging omvatten. Een van de eerste voorbeelden van een chahar bagh bevond zich in Samarra', dat in de 9de eeuw tijdelijk de rol van hoofdstad van het Abbasidische rijk overnam van Bagdad. Dit Bulkawara paleis werd gebouwd tussen 849 en 859 AD. Het bestond uit drie hoven, ieder in vieren gedeeld door kanaaltjes of paden, geflankeerd door paviljoenen met uitzicht over de Tigris.
Vanuit de Maghrib werd Spanje (al-Andalus) voor een groot deel veroverd vanaf het begin van de 8ste eeuw. In de Moorse tuinen was sprake van Berberse, Romeinse en Visigothische invloed. Uit de Berbertuin (agdal) werd de grote centrale vijver met een gebouwtje aan een kant overgenomen. De Grieks-Romeinse concepten van de boomgaard (hortus) en het populierenbos werden ingepast, terwijl de nog bestaande Romeinse aquaducten goede diensten bewezen bij de toevoer van water. Van de Visigothen stamt waarschijnlijk een aantal gewassen die via het Byzantijnse rijk uit het oosten waren geïntroduceerd, bijvoorbeeld suikerriet, pistache, gember en styrax. De Omayyadische veroveraars namen overigens zelf ook al Perzische vormen mee naar al-Andalus: De vierdeling in de binnenhoven van de paleizen is er direct op terug te voeren. In de eerste eeuwen was het contact met Bagdad bovendien nog zeer intensief, waardoor nieuwe ideeën en materialen afkomstig uit Azië snel naar het westen werden verspreid.
De Osmanen, die vanuit Klein-Azië hun rijk uitbreidden vanaf 1300 en uiteindelijk hun Arabische heersers overtroefden, stichtten een rijk dat gedurende zes eeuwen het grootste deel van het Middellandse Zee gebied zou beheersen. De tuinarchitectuur was een afspiegeling van de smeltkroes van culturen die in het Osmaanse rijk bestond: Byzantijnse, Perzische, Arabisch-Islamitische en later Europese invloeden waren erin terug te vinden. Via het hof in Istanbul werden Osmaanse invloeden - rozen, de tulp - naar het westen verspreid. In het oosten drong de Islam door tot in Sind (ongeveer Afghanistan-Pakistan) en Hind (India), waar de verre nazaten van Djengis Khan, de Moghols, vanaf de vijftiende eeuw hun rijke cultuur ontplooiden. Babur was rond 1500 de eerste die bij Kabul en Jelalabad tuinen liet aanleggen door architecten en kunstenaars afkomstig uit Perzië en Samarkand. Zijn opvolgers creëerden steeds omvangrijkere tuinen, in Delhi, Agra en vervolgens in Kashmir. De strenge symmetrie van de Moghol-stijl was in Hind ongehoord, maar werd uiteindelijk de standaard voor latere ontwerpen, waarin regionale invloeden wel steeds sterker werden. De laatste Moghol-vorst die grote werken liet uitvoeren was Shah Jahan, de bouwer van de Taj Mahal.
Bij de reconstructie van de feiten omtrent historische Islamitische tuinen is er geen gebrek aan bronnen. Nauwkeurige beschrijvingen ontbreken echter grotendeels. Anderzijds zijn de tuinen zelf voor het merendeel verdwenen, behalve die van de Moghols. In de Arabische landen, in Turkije, Perzië en Spanje is veel verloren gegaan. Vrij recent zijn diverse archeologische opgravingen verricht, die een schat aan nieuwe feiten hebben opgeleverd over de architectuur van de tuinen. Op basis van die gegevens is een grondplan goed te reconstrueren, terwijl elementen als paviljoens op basis van oude afbeeldingen zijn na te maken. Veel moeilijker is het om de oorspronkelijke beplanting te achterhalen. Er is weliswaar veel onderzoek gedaan in de botanische en landbouwkundige literatuur van de betreffende perioden en regio's, maar de indertijd gebruikte variëteiten zijn zelden te identificeren, en zo ja, moeilijk te verkrijgen of uitgestorven. Met behulp van palynologie, het onderzoek van stuifmeel en sporen, is soortidentificatie wellicht mogelijk. Wereldwijd zijn projecten opgezet om de kennis over historische tuinen te vergroten en belangrijke authentieke tuinen in stand te houden of te restaureren. Een van de aandachtsgebieden is de Islamitische culturele invloedssfeer. Wat van bestaande tuinaanleg vaak als authentiek wordt beschouwd is dat overigens zelden: De tuinen van het Partal in het Alhambra hebben meer verwantschap met die van Versailles dan met iets anders, terwijl de tuinen van het Alcazar in Sevilla mooie voorbeelden zijn van de Italiaanse stijl die tijdens de Renaissance werd geïntroduceerd. Het feit dat een groot deel van de zich erin bevindende gebouwen wel onmiskenbaar van Moorse afkomst is zal aan deze misvattingen debet zijn.
De karakteristieken van de Islamitische tuinkunst hebben in verschillende recente perioden in de westerse tuinkunst weer aandacht gekregen, via de schilderkunst - Orientalistes en verwante romantische stromingen - en via de architectuur. Moorse stijlinvloeden waren in de 19de eeuw in de bouwkunst duidelijk aanwezig (bijvoorbeeld de Wilhelma in Stuttgart), terwijl de Moghol-invloeden door architecten als Lutyens werden meegebracht uit India. Architectonische elementen uit de Islamitische tuinkunst zijn daardoor op veel plaatsen aanwezig. Door deze nog steeds bestaande en te bezichtigen voorbeelden worden steeds nieuwe generaties bouwmeesters en tuinontwerpers geïnspireerd.
Leo den Dulk
Literatuur:
Brookes, J. Gardens of
Tjon Sie Fat, L. en de
Jong, E. (eds.). The
authentic Garden,
MacDougall, E.B., en Ettinghausen,
R. (eds.). The Islamic Garden, Washington, 1976.
Correcher, C.M. The gardens of
Dodds, J.D. (ed.).
Al-Andalus, the art of Islamic Spain,